Van Groesbeeck · bronnen & onderzoek

Bronnen & onderzoek

De vroegste geschiedenis van het geslacht Van Groesbeeck ligt op het grensvlak van domeingeschiedenis, bosbeheer, archeologie en genealogie. Niet iedere schakel is met dezelfde zekerheid te reconstrueren. Op deze pagina worden daarom de bronnen achter het verhaal afzonderlijk besproken en wordt steeds onderscheid gemaakt tussen wat rechtstreeks is aangetoond, wat aannemelijk is en wat vooralsnog een hypothese blijft.

Uitgangspunt van dit onderzoek. Een oude genealogische of historische traditie is waardevol, maar wordt niet automatisch als bewijs voor een afstamming beschouwd. Waar een contemporaine oorkonde, archeologische vondst of andere primaire bron beschikbaar is, krijgt die voorrang. Latere geschiedschrijving wordt gebruikt om de bronnen te duiden en om oudere overleveringen te kunnen volgen.

1. Gronspech en Sindicho in 1040

Het vaste beginpunt is de oorkonde van 27 mei 1040. Koning Hendrik III schonk daarin een hoeve in villa nomine Gronspech aan Sindicho, die wordt aangeduid als nostro forestario: onze houtvester of bosbeheerder. Daarmee beschikken we over de oudste schriftelijke vermelding van Groesbeek en tegelijk over een bij naam genoemde koninklijke functionaris die daar een bezit verwierf.

De oorkonde bewijst echter niet dat Sindicho de familienaam Van Groesbeeck voerde. Evenmin bevat zij een genealogie die hem rechtstreeks met de heren Van Groesbeeck uit latere eeuwen verbindt. Dat Sindicho aan het begin van de familiegeschiedenis wordt geplaatst, berust op de combinatie van zijn functie, zijn bezit te Gronspech en de latere positie van de heren Van Groesbeeck in hetzelfde gebied.

Beoordeling: de vermelding van Sindicho als forestarius en de schenking te Gronspech zijn gedocumenteerd. Zijn positie als voorvader van het latere geslacht Van Groesbeeck is vermoedelijk, maar genealogisch niet bewezen.

2. Het Ketelwald en het koninklijke bosbeheer

Groesbeek lag in of aan het grote bosgebied dat in de middeleeuwse geschiedschrijving met het Ketelwald en later het Rijkswoud wordt verbonden. Het gebied rond Nijmegen maakte deel uit van het koninklijke machtsgebied. De nabijheid van de palts van Nijmegen maakte het woud van belang voor koninklijk domeinbeheer en jacht.

De aanduiding forestarius in de oorkonde van 1040 moet in die bestuurlijke context worden gelezen. Zij wijst op een functie in het beheer van het koninklijke bos of domein. Het is verleidelijk om deze functie rechtstreeks gelijk te stellen aan het latere waldgraafschap, maar daarvoor ontbreekt bewijs. De titel en institutionele positie van de latere waldgraven moeten daarom worden onderscheiden van Sindicho's elfde-eeuwse functie.

Beoordeling: er is sprake van duidelijke historische continuïteit in het beheer van het bosgebied, maar niet van bewijs dat het ambt van Sindicho in 1040 reeds hetzelfde erfelijke ambt was als het latere waldgraafschap.

3. Was Gronspech in 1040 al een dorp?

Ook het woord villa in de oorkonde vraagt om voorzichtigheid. Het is niet vanzelfsprekend dat hiermee een dorp in de latere betekenis wordt bedoeld. Historicus B. Thissen onderzocht de middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis van Groesbeek en wees erop dat de vroege bewoning eerder als een kleine nederzetting of domeinstructuur moet worden gezien. Voor gemeenschappelijke voorzieningen en instellingen die op een volwaardige dorpsgemeenschap wijzen, is in deze vroege periode onvoldoende bewijs.

Rond 1050 werd bij de bron van de Groesbeek een eerste kapel gebouwd. Archeologische en historische gegevens wijzen daarmee op een geleidelijke ontwikkeling van een kleine nederzetting naar een dorpsgemeenschap.

Beoordeling: Gronspech bestond in 1040 als plaats of domein, maar de voorstelling van een reeds volledig ontwikkeld dorp is voor die tijd te stellig.

4. Van Gronspech naar Groesbeek

De plaatsnaam komt in de loop der eeuwen in verschillende vormen voor, waaronder Gronspech, Gronesbeke, Groisbeek, Grusbech, Groysbeeck en Groesbeck. De familienaam Van Groesbeeck sluit aan bij deze plaatsnaam, maar de verschillende spellingen moeten niet als afzonderlijke families worden geïnterpreteerd.

De precieze taalkundige verklaring van de oudste naamvorm is minder zeker dan soms wordt voorgesteld. Daarom wordt op deze website terughoudend omgegaan met de oudere verklaring waarin grons zonder meer als ‘groese’ (grasland) en pech als ‘beek’ wordt vertaald. De historische schrijfvormen zelf staan vast; de etymologische duiding verdient nader taalkundig onderzoek.

5. De oudere burcht bij Watermeerwijk

Voor de oudste residentie van de latere waldgraven is de vijftiende-eeuwse kroniekschrijver Willem van Berchen van groot belang. Hij vermeldt een burcht bij Watermeerwijk die door de waldgraven zou zijn gebruikt voordat zij zich in Groesbeek vestigden. Van Berchen schreef bovendien dat in zijn tijd nog resten van die burcht zichtbaar waren.

A.G. Schulte nam deze overlevering in Het Rijk van Nijmegen. Oostelijk gedeelte en de Duffelt op. Hij vermeldt dat tot in de tweede helft van de vijftiende eeuw in het Nederrijkswoud resten van een burcht aanwezig waren. Friedrich Gorissen dateerde deze oude burcht in de elfde eeuw en lokaliseerde haar als een ronde motte in de vijver van het latere landgoed Watermeerwijk. Op een kaart uit 1561 is daar een klein eiland aangegeven als ‘den pol’ in ‘den wyer genoemt den watermerwyck’.

Deze gegevens maken een oudere versterkte woonplaats bij Watermeerwijk aannemelijk, maar de precieze datering, afmetingen en bouwvorm zijn minder hard aangetoond dan bij de later archeologisch onderzochte woontorens in Groesbeek. De voorstelling van een motte van exact 12 bij 12 meter met een bepaalde houten toren wordt daarom niet als vaststaand feit overgenomen.

Beoordeling: een oudere burchttraditie bij Watermeerwijk is goed historisch onderbouwd; de exacte elfde-eeuwse datering en reconstructie als motte blijven interpretaties.

6. De verhuizing naar Groesbeek

Volgens Schulte woonden de heren Van Groesbeek tot omstreeks het midden van de dertiende eeuw in Watermeerwijk. Daarna vestigden zij zich in Groesbeek, waar achter de Rijkshof een kasteel werd gebouwd. Het kasteelterrein lag ten oosten van de Dorpsstraat, tussen de huidige Hoflaan en Stationsweg. De grachten en vijvers werden gevoed door de Groesbeek.

Deze overgang is belangrijk, omdat vanaf de dertiende eeuw geschreven overlevering en archeologisch onderzoek elkaar steeds beter aanvullen.

7. De houten woontoren van omstreeks 1265

Bij archeologisch onderzoek aan de Hoflaan 8 in Groesbeek werden in 2005 resten gevonden van opeenvolgende middeleeuwse woontorens. De oudste fase bestond uit een kleine houten woontoren uit omstreeks 1265. Op dezelfde plaats volgde omstreeks 1301 een tweede houten toren. Daarna ontwikkelde de residentie zich verder tot een stenen versterking.

Deze vondsten zijn van bijzondere betekenis, omdat houten voorlopers van middeleeuwse woontorens archeologisch zelden zo duidelijk zijn aangetoond. Ze geven bovendien een concreet beeld van de groeiende maatschappelijke positie van de heren Van Groesbeeck: de eerste residentie in het dorp was nog betrekkelijk bescheiden en werd in volgende generaties uitgebouwd.

Beoordeling: de aanwezigheid van opeenvolgende houten en later stenen bouwfasen op het kasteelterrein is archeologisch aangetoond. Voor de vroegste houten fase wordt een datering rond 1265 aangehouden.

8. Forestarius, waldgraaf en heer van Groesbeek

In oudere literatuur worden de begrippen houtvester, waldgraaf en heer van Groesbeek soms dicht tegen elkaar geplaatst. Voor een genealogische reconstructie is het beter deze uit elkaar te houden. Sindicho wordt in 1040 forestarius genoemd. De heren Van Groesbeeck zijn in latere bronnen verbonden met het waldgraafschap van het Rijkswoud en met de heerlijkheid Groesbeek.

Dat er een historische relatie bestaat tussen bosbeheer, plaatselijke machtsvorming en de latere positie van de familie is aannemelijk. Dat betekent echter niet dat reeds in 1040 sprake was van een erfelijke titel ‘waldgraaf Van Groesbeeck’.

Een later overzicht van de bosgeschiedenis van de Euregio Rijn-Waal geeft een nuttige chronologische begrenzing: de term waldgraaf verschijnt voor het Nederrijkswald voor het eerst in 1329, terwijl niet bekend is vanaf wanneer het ambt erfelijk was. In 1349 werd het rijksleen volgens de daar aangehaalde literatuur voor het laatst aan een heer van Groesbeek bevestigd, door rooms-koning Karel IV. Dit ondersteunt juist de voorzichtigheid om Sindicho's elfde-eeuwse functie niet rechtstreeks met het veertiende-eeuwse waldgraafschap gelijk te stellen.

Een later overzicht van de bosgeschiedenis van de Euregio Rijn-Waal geeft een nuttige chronologische begrenzing: de term waldgraaf verschijnt voor het Nederrijkswald voor het eerst in 1329, terwijl niet bekend is vanaf wanneer het ambt erfelijk was. In 1349 werd het rijksleen volgens de daar aangehaalde literatuur voor het laatst aan een heer van Groesbeek bevestigd, door rooms-koning Karel IV. Dit ondersteunt juist de voorzichtigheid om Sindicho's elfde-eeuwse functie niet rechtstreeks met het veertiende-eeuwse waldgraafschap gelijk te stellen.

9. Waar begint de genealogisch beter gedocumenteerde familie?

Voor de elfde en twaalfde eeuw ontbreekt een sluitende generatie-op-generatieketen vanaf Sindicho. Naarmate de bronnen uit de dertiende en vooral latere eeuwen talrijker worden, kunnen afzonderlijke leden van het geslacht, hun bezittingen, huwelijken en opvolging beter worden gevolgd.

Voor deze website betekent dit dat Sindicho wel aan het begin van de historische context van Van Groesbeeck wordt geplaatst, maar niet als bewezen stamvader boven een ononderbroken genealogische reeks. De afzonderlijke persoons- en stamboompagina's beginnen waar de familierelaties voldoende uit bronnen kunnen worden gereconstrueerd.

10. De aansluiting op mijn familielijn

Voor mijn eigen familiegeschiedenis is de aansluiting via Itgen van Groesbeeck van doorslaggevend belang. Zij trouwde met Bruen van den Loe. Via hun nakomelingen loopt de lijn verder naar Van de Loo, Van Well en uiteindelijk Goossens.

Waar deze aansluiting eerder vooral uit latere genealogieën bekend was, brengt de Loo-Kroniek nr. 63 uit 2017 een reeks concrete archiefstukken bijeen waarmee de vijftiende-eeuwse lijn veel nauwkeuriger kan worden gereconstrueerd. Vooral de registers van de goederen Overelve en Kleynvordt en oorkonden uit het archief van Schloss Wissen zijn daarbij belangrijk.

Nieuwe stand van zaken. De filiatie Johan van Groesbeeck → zijn bastaardzoon Seger → Itgen van Groesbeeck → Bruen van den Loe kan inmiddels aanzienlijk steviger worden onderbouwd dan op grond van de oudere genealogische literatuur mogelijk was. De afzonderlijke schakels en hun bewijs worden hieronder besproken.

11. De eerste drie Johans: een hernieuwde reconstructie

De oudste bij naam bekende ridder uit het geslacht is Johannes de Gronesbeke, die in 1258 als miles wordt genoemd. Van Spaen vermeldt vervolgens verschillende Johans in de tweede helft van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw. De oude website onderscheidde daarom Johan I, Johan II en Johan III.

Die nummering is bruikbaar om de verschillende vermeldingen uit elkaar te houden, maar mag niet de indruk wekken dat voor iedere overgang van vader op zoon een afzonderlijke geboorte- of huwelijksakte is gevonden. De aanwezigheid van drie opeenvolgende Johans blijft voor de oudste periode een genealogische reconstructie.

12. Johan I en II tegenover de archeologie

De archeologische bouwfasen aan de Hoflaan – een houten woontoren omstreeks 1265 en een tweede houten toren omstreeks 1301 – passen chronologisch goed bij de periode waarin de eerste Johans in de geschreven bronnen verschijnen. Zij bewijzen echter niet welke individuele Johan welke toren liet bouwen.

Daarom wordt op deze website niet langer zonder voorbehoud geschreven dat Johan I in 1265 en Johan II in 1301 ieder hun eigen woontoren bouwden. De bouwfasen zijn archeologisch aangetoond; de koppeling aan precies één persoon blijft een aannemelijke, maar niet bewezen interpretatie.

13. Johan III: het bronnenbeeld wordt steviger

Vanaf de eerste helft van de veertiende eeuw wordt het bronnenbeeld veel rijker. Een Johan van Groesbeeck treedt op als borg, richter en ridder en wordt als heer van Groesbeek genoemd. In de loop van de eeuw komen daar Heumen, Malden en Beek bij. Ook de positie van de familie in het Rijkswoud en het waldgraafschap wordt beter zichtbaar.

Een belangrijk gevolg van dit onderzoek is dat het vaak genoemde sterfjaar 1342 voor deze Johan niet houdbaar is wanneer dezelfde Johan daarna nog als heer en leenman voorkomt. Voor deze vroege generaties verdient een reeks van gedocumenteerde vermeldingsjaren daarom de voorkeur boven schijnbaar precieze geboorte- en sterfjaren waarvoor geen primaire bron bekend is.

14. Seger, Fije en Aleid van der Straten

Het huwelijkscharter van 17 mei 1387 is een sleutelbron. Seger van Groesbeeck noemt daarin Fije zijn dochter en Johan zijn zoon. Fije doet afstand van haar rechten op de nalatenschap van haar reeds overleden moeder. De akte noemt die moeder zelf niet bij naam.

Onder de borgen van Seger staat ridder Henric van der Straten. In combinatie met Van Spaens genealogische notities en de vererving van Kalbeck ondersteunt dit de reconstructie dat Seger eerst met Aleid van der Straten was gehuwd en dat Johan uit dit huwelijk stamde. De overgang van Kalbeck naar Johan is daarbij een belangrijk aanvullend argument.

Beoordeling: het bestaan van Seger, zijn kinderen Fije en Johan en het charter van 1387 zijn rechtstreeks gedocumenteerd. Aleid van der Straten als echtgenote en moeder is sterk onderbouwd, maar de geraadpleegde akte van 1387 noemt haar niet zelf bij naam.

15. Heumen: van eigen bezit naar Gelders leen

Schulte bevestigt dat Johan van Groesbeeck Heumen tussen 1343 en 1348 verwierf. Zijn zoon Seger droeg het huis en de heerlijkheid vervolgens aan de hertog van Gelre op; in 1402 werd hij ermee beleend. Daarmee werd het Huis te Heumen een Gelders leen. Deze overgang laat tevens zien hoe het machtscentrum van de familie zich in de veertiende eeuw van Groesbeek naar Heumen verplaatste.

16. Johan van Groesbeeck: Reepdorp, Ponte en Ermgard

Bij Johan, de zoon van Seger, bestaat in oudere genealogieën onzekerheid over zijn echtgenotes. Van Spaen noemt Margriet van Reepdorp als eerste vrouw, terwijl andere genealogieën Ponte van Gelre noemen. De Loo-Kroniek wijst op een bijzonder belangrijk afschrift van een akte van 24 juni 1401 in het kartularium van klooster Grafenthal.

Daarin draagt ridder Johan van Groesbeeck inkomsten uit de hofstede Reepdorp te Hülm over aan de zusters van Grafenthal. De hofstede wordt in verband gebracht met ‘de oude Van Reepdorp’, terwijl Johans dochters Johanna en Margaretha, van wie de moeder toen al overleden was, mede-eigenaressen waren. Dit vormt sterk indirect bewijs voor Van Spaens opgave dat Johans eerste echtgenote een vrouw Van Reepdorp was.

De mogelijkheid dat Johan daarnaast met Ponte van Gelre en later met Ermgard van Lynden gehuwd was, wordt in de Loo-Kroniek niet uitgesloten. Voor die huwelijken is in het daar gepresenteerde materiaal echter geen vergelijkbaar direct archiefbewijs geleverd.

Beoordeling: Margriet van Reepdorp als echtgenote van Johan is door de combinatie van Van Spaen en het Grafenthal-materiaal aanzienlijk beter onderbouwd dan voorheen. Ponte van Gelre en Ermgard van Lynden blijven afzonderlijke onderzoeksvragen.

17. Een beslissende akte uit 1436: Seger was Johans bastaardzoon

Voor de directe voorouderlijn is een oorkonde uit het archief van Schloss Wissen van uitzonderlijk belang. Op 10 oktober 1436 droeg Johanna van Groesbeeck rechten op het goed Kleynvordt over. In het regest wordt Seger aangeduid als Seger van Gruesbeck, Bastard, Herr Johans Sohn.

Daarmee worden twee zaken rechtstreeks vastgelegd: Seger was een buitenechtelijke zoon en zijn vader was heer Johan van Groesbeeck. De oude website kende meerdere mogelijke bastaardzonen met de naam Seger en stelde daarom terecht de vraag welke Seger de vader van Itgen was. Deze akte maakt het nu mogelijk ten minste deze Seger veel scherper te identificeren.

Een tweede akte, uit 1448, laat de wettige kinderen van Johan samen met hun bastaardbroer Seger optreden bij de afwikkeling van de nalatenschap van Johanna van Vlodorp-Van Groesbeeck. Dat ondersteunt opnieuw zijn plaats binnen deze familiekring.

Beoordeling: Johan van Groesbeeck → bastaardzoon Seger is rechtstreeks in een vijftiende-eeuwse bron gedocumenteerd.

18. Seger, Ydtgen/Ideke en Stynken

Ook over de vrouwen van deze Seger geeft de Loo-Kroniek nieuwe duidelijkheid. In 1447 bezat Seger de eerste hand op Kleynvordt en zijn vrouw Ideke/Ydtgen de tweede hand als lijftocht. In 1451 traden Seger en Ideke op bij de toekenning van de derde hand aan hun zoon Johan.

In een oorkonde van 8 juli 1459 wordt Segers toenmalige vrouw Stynken genoemd en wordt verwezen naar de erfgenamen van zijn overleden eerste vrouw Ydtken. Daaruit volgt dat Ydtgen vóór 1459 was overleden en dat Stynken Segers tweede vrouw was.

Dit corrigeert een oudere opgave in het Nederland's Patriciaat van 1965, waarin ‘Zeger en Styn’ als ouders van Itgen werden genoemd. Volgens de door Richard van de Loo samengebrachte stukken was Stynken niet Itgens moeder maar haar stiefmoeder. De familienaam van Ydtgen is vooralsnog onbekend.

19. Itgen van Groesbeeck: de aansluiting is nu rechtstreeks zichtbaar

De belangrijkste nieuwe zekerheid betreft Itgen van Groesbeeck. Het behandigingsregister van Overelve noemt haar in 1506 als Idtgen van Groessbeck Bruijnen wiff: Itgen van Groesbeeck, de vrouw van Bruen. Daarmee is haar huwelijk met Bruen van den Loe rechtstreeks in het goederenregister zichtbaar.

Het register van Kleynvordt gaat nog verder. Daar worden Johan en Ydtken als kinderen van Seger van Groesbeeck genoemd. Vervolgens verschijnt Ydtken/Itgen van Groesbeeck met Bruen van den Loe als haar wettige echtgenoot. Daarmee wordt de schakel Seger → Itgen niet alleen uit naamgeving of latere genealogieën afgeleid, maar door een primaire bron ondersteund.

Itgen wordt in 1514 nog als weduwe vermeld wegens een schuld aan Johan van Aken. Op 7 december 1519 wordt zij als overleden vermeld.

Gevolg voor de stamreeks. De eerder op de website gebruikte filiatie Seger IV van Groesbeeck × Elisabeth van Vlodrop → Itgen wordt niet meer gevolgd. Voor de directe voorouderlijn wordt voortaan uitgegaan van Johan van Groesbeeck → zijn bastaardzoon Seger × Ydtgen/Ideke → Itgen van Groesbeeck × Bruen van den Loe. De bronnen voor Johan → Seger en Seger → Itgen zijn hierboven afzonderlijk beschreven.

20. De parallelle hoofdtak: Johan en Hadewich van Redinchaven

Naast de bastaardtak die naar Itgen voert, bestond in dezelfde periode de hoofdtak van de heren van Heumen, Malden en Beek. Juist deze parallelle lijn verklaart waarom oudere genealogieën verschillende mannen met de naam Seger gemakkelijk met elkaar konden verwarren.

Een Johan van Groesbeeck treedt op 6 juni 1445 in een originele Nijmeegse oorkonde op als heer van Heumen, Malden en Beek, burggraaf van Nijmegen en richter in het Rijk van Nijmegen. Daarmee kan het burchtgraafschap, dat in de oudere website nog voorzichtig als onbevestigd werd behandeld, als rechtstreeks gedocumenteerd worden beschouwd.

Zijn echtgenote was Hadewich van Redinchaven. Het sterkste genealogische bewijs komt uit de huwelijksvoorwaarden van hun zoon Seger van 5 oktober 1464. Daar wordt Seger uitdrukkelijk genoemd als zoon van Johan, heer van Malden en Beek en burggraaf van Nijmegen, en van Hadewich. In het leenregister van 1465 draagt Johan goederen aan zijn zoon Seger over terwijl Hadewich haar lijftocht behoudt; in 1473 wordt zij opnieuw als Hadewich van Redinchaven genoemd.

Beoordeling: Johan × Hadewich van Redinchaven → Seger is rechtstreeks door de huwelijksakte van 1464 en de leenoverlevering ondersteund. Deze Johan en zijn zoon Seger moeten worden onderscheiden van Johans oudere generatiegenoot/vader en diens bastaardzoon Seger die in de directe lijn naar Itgen voorkomt.

21. Seger en Elisabeth van Vlodrop: een andere Seger

De huwelijksvoorwaarden van 5 oktober 1464 lossen een belangrijk genealogisch probleem op. Zij noemen Seger van Groesbeke, heer van Heumen, als zoon van Johan, heer van Malden en Beek, burggraaf van Nijmegen, en Hadewich. Zijn bruid was Elisabeth van Vlodrop, dochter van Willem van Vlodrop, ridder en erfvoogd van Roermond, en Cecilia van Hamel en Elderen.

Deze Seger ontving in 1465 verschillende Gelderse lenen door overdracht van zijn vader Johan, met behoud van het vruchtgebruik van zijn moeder Hadewich. In 1473 werd hij opnieuw beleend. In 1483 vernieuwde hij zijn eed en vestigde hij een lijftocht voor zijn vrouw Lijsbet van Vlodrop. De leenoverlevering noemt hem opnieuw in 1497.

Daarmee staat nu vast dat de Seger die met Elisabeth/Lijsbet van Vlodrop gehuwd was niet dezelfde man was als de bastaardzoon Seger die in 1436 als zoon van heer Johan wordt genoemd, eerst met Ydtgen/Ideke en later met Stynken was gehuwd en vader van Itgen werd.

Belangrijk gevolg. De vroeger vaak overgenomen filiatie Seger van Groesbeeck × Elisabeth van Vlodrop → Itgen van Groesbeeck is niet houdbaar. De bronnen tonen twee verschillende Segers uit twee opeenvolgende, parallel lopende takken.

22. Twee Segers naast elkaar

Directe lijn naar Itgen

Johan van Groesbeeck
heer van Heumen, Malden en Beek

↓ buitenechtelijke zoon

Seger van Groesbeeck, bastaard
× 1 Ydtgen/Ideke
× 2 Stynken/Christina

↓ uit het eerste huwelijk

Itgen van Groesbeeck
× Bruen van den Loe

Parallelle hoofdtak

Johan van Groesbeeck
× Hadewich van Redinchaven
burggraaf van Nijmegen

↓ zoon

Seger van Groesbeeck
heer van Heumen
× Elisabeth/Lijsbet van Vlodrop

Deze Seger is niet de vader van Itgen.

De twee mannen leefden gedeeltelijk in dezelfde periode, droegen dezelfde familienaam en dezelfde voornaam en hadden bovendien verwanten uit de familie Van Vlodrop in hun omgeving. Dat verklaart hoe de twee lijnen in latere genealogieën konden worden samengevoegd. Juist de combinatie van de Wissen-oorkonden, de goederenregisters van Overelve en Kleynvordt, de Gelderse leenregisters en de huwelijksakte van 1464 maakt de scheiding nu zichtbaar.

20. De parallelle hoofdtak: Johan en Hadewich van Redinchaven

Naast de bastaardtak die naar Itgen voert, bestond in dezelfde periode de hoofdtak van de heren van Heumen, Malden en Beek. Juist deze parallelle lijn verklaart waarom oudere genealogieën verschillende mannen met de naam Seger gemakkelijk met elkaar konden verwarren.

Een Johan van Groesbeeck treedt op 6 juni 1445 in een originele Nijmeegse oorkonde op als heer van Heumen, Malden en Beek, burggraaf van Nijmegen en richter in het Rijk van Nijmegen. Daarmee kan het burchtgraafschap, dat in de oudere website nog voorzichtig als onbevestigd werd behandeld, als rechtstreeks gedocumenteerd worden beschouwd.

Zijn echtgenote was Hadewich van Redinchaven. Het sterkste genealogische bewijs komt uit de huwelijksvoorwaarden van hun zoon Seger van 5 oktober 1464. Daar wordt Seger uitdrukkelijk genoemd als zoon van Johan, heer van Malden en Beek en burggraaf van Nijmegen, en van Hadewich. In het leenregister van 1465 draagt Johan goederen aan zijn zoon Seger over terwijl Hadewich haar lijftocht behoudt; in 1473 wordt zij opnieuw als Hadewich van Redinchaven genoemd.

Beoordeling: Johan × Hadewich van Redinchaven → Seger is rechtstreeks door de huwelijksakte van 1464 en de leenoverlevering ondersteund.

21. Seger en Elisabeth van Vlodrop: een andere Seger

De huwelijksvoorwaarden van 5 oktober 1464 lossen een belangrijk genealogisch probleem op. Zij noemen Seger van Groesbeke, heer van Heumen, als zoon van Johan, heer van Malden en Beek, burggraaf van Nijmegen, en Hadewich. Zijn bruid was Elisabeth van Vlodrop, dochter van Willem van Vlodrop, ridder en erfvoogd van Roermond, en Cecilia van Hamel en Elderen.

Deze Seger ontving in 1465 verschillende Gelderse lenen door overdracht van zijn vader Johan, met behoud van het vruchtgebruik van zijn moeder Hadewich. In 1473 werd hij opnieuw beleend. In 1483 vernieuwde hij zijn eed en vestigde hij een lijftocht voor zijn vrouw Lijsbet van Vlodrop. De leenoverlevering noemt hem opnieuw in 1497.

Daarmee staat nu vast dat de Seger die met Elisabeth/Lijsbet van Vlodrop gehuwd was niet dezelfde man was als de bastaardzoon Seger die in 1436 als zoon van heer Johan wordt genoemd, eerst met Ydtgen/Ideke en later met Stynken was gehuwd en vader van Itgen werd.

Belangrijk gevolg. De vroeger vaak overgenomen filiatie Seger van Groesbeeck × Elisabeth van Vlodrop → Itgen van Groesbeeck is niet houdbaar. De bronnen tonen twee verschillende Segers uit twee opeenvolgende, parallel lopende takken.

22. Twee Segers naast elkaar

Directe lijn naar Itgen

Johan van Groesbeeck
heer van Heumen, Malden en Beek

↓ buitenechtelijke zoon

Seger van Groesbeeck, bastaard
× 1 Ydtgen/Ideke
× 2 Stynken/Christina

↓ uit het eerste huwelijk

Itgen van Groesbeeck
× Bruen van den Loe

Parallelle hoofdtak

Johan van Groesbeeck
× Hadewich van Redinchaven
burggraaf van Nijmegen

↓ zoon

Seger van Groesbeeck
heer van Heumen
× Elisabeth/Lijsbet van Vlodrop

Deze Seger is niet de vader van Itgen.

De twee mannen leefden gedeeltelijk in dezelfde periode, droegen dezelfde familienaam en dezelfde voornaam en hadden bovendien verwanten uit de familie Van Vlodrop in hun omgeving. Dat verklaart hoe de twee lijnen in latere genealogieën konden worden samengevoegd.

23. Overelve en Kleynvordt als genealogisch bewijs

De goederen Overelve en Kleynvordt zijn meer dan bezittingen die toevallig in verschillende families voorkomen. Juist de opeenvolgende rechten op deze goederen maken verwantschappen zichtbaar die in gewone genealogische tabellen soms verloren zijn gegaan. Voor Overelve bevindt zich een uitgebreid handschrift in het Landesarchiv Nordrhein-Westfalen bij het bestand Stift Xanten. Voor Kleynvordt zijn zowel het oude register van de lijfgewinsgoederen van Kleve-Mark als regesten uit het archief van Schloss Wissen van belang.

Het middeleeuwse systeem van ‘handen’ bij lijfgewinsgoederen maakt het mogelijk opeenvolgende rechthebbenden te volgen. Daardoor vormen deze goederen een zelfstandige bewijsroute naast de traditionele genealogische literatuur.

24. Van der Straten en de verbinding met Van Kleef

De Loo-Kroniek werkt ook de voorouders van Aleid van der Straten verder uit. Haar vader Diederick van der Straten wordt verbonden met Margaretha van Kleef, een buitenechtelijke dochter van Dietrich Luf II van Kleef. Van bijzonder belang is een oorkonde van 13 juli 1330, waarin Diederick met zijn zwager Dietrich Luf III afspraken maakt over inkomsten die Dietrich Luf II aan zijn dochter Margaretha, Diedericks vrouw, had toegekend.

Deze bron maakt de aansluiting op het Kleefse gravenhuis veel interessanter dan een genealogische overeenkomst van namen alleen. Tegelijk moet ook hier onderscheid worden gemaakt tussen de rechtstreeks genoemde familieverhoudingen en verdere generaties die op basis van secundaire genealogieën worden aangevuld.

Beoordeling: de verbinding Diederick van der Straten × Margaretha van Kleef heeft een concrete middeleeuwse bronbasis. De verdere terugvoering binnen het huis Kleef wordt op de afzonderlijke pagina's Van der Straten en Van Kleef behandeld.

25. Johan en Bertha van Ghoor: vaste grond in de zestiende eeuw

Vanaf 1513 wordt de documentatie opnieuw veel steviger. Johan van Groesbeeck wordt op 27 oktober 1513 als heer van Heumen, Malden en Beek met rechten in Groesbeek beleend. Op 29 augustus 1514 worden zijn huwelijkse voorwaarden met Bertha van Ghoor opgesteld. In 1547 bevestigt Karel V de heerlijkheden Heumen, Malden, Beek en Groesbeek. Regesten uit 1549 noemen verschillende kinderen van Johan en Bertha.

De oude verklaring dat de familie wegens de Reformatie uit Gelre naar Kuringen vluchtte, wordt niet gehandhaafd zonder een bron die juist die causaliteit aantoont. De aanwezigheid van Van Groesbeecks in het Land van Loon en hun katholieke netwerk is aantoonbaar; de reden en het precieze moment van vestiging moeten afzonderlijk worden onderzocht.

26. 1527: het hoge gericht van Groesbeek

Voor de zestiende-eeuwse ontwikkeling van de heerlijkheid is 1527 een belangrijk jaar. Volgens de lokale historische synthese van de Heemkundekring Groesbeek kreeg heer Johan toen ook het hoge gericht over Groesbeek. Daarmee behoorden ook zware strafzaken tot zijn rechtsmacht.

Dit gegeven vult de eerder bekende belening van 1513 aan. De precieze oorspronkelijke verleningsakte van 1527 is in dit onderzoek nog niet afzonderlijk geraadpleegd; daarom wordt voor dit onderdeel verwezen naar de lokale historische publicatie en blijft het opsporen van de primaire akte een wens voor vervolgonderzoek.

26. 1527: het hoge gericht van Groesbeek

Voor de zestiende-eeuwse ontwikkeling van de heerlijkheid is 1527 een belangrijk jaar. Volgens de lokale historische synthese van de Heemkundekring Groesbeek kreeg heer Johan toen ook het hoge gericht over Groesbeek. Daarmee behoorden ook zware strafzaken tot zijn rechtsmacht.

Dit gegeven vult de eerder bekende belening van 1513 aan. De precieze oorspronkelijke verleningsakte van 1527 is in dit onderzoek nog niet afzonderlijk geraadpleegd; daarom blijft het opsporen van de primaire akte een wens voor vervolgonderzoek.

27. Wat is nu bewezen en wat blijft onzeker?

Door de combinatie van oudere literatuur, archeologie, de in de Loo-Kroniek aangehaalde vijftiende-eeuwse archiefstukken en aanvullend Nederlands en Duits bronnenonderzoek kan de bewijsstatus nu scherper worden aangegeven.

  • Gedocumenteerd: Gronspech en Sindicho als forestarius in 1040.
  • Niet bewezen: een ononderbroken genealogische lijn van Sindicho naar de dertiende-eeuwse heren Van Groesbeeck.
  • Historisch begrensd: de term waldgraaf verschijnt voor het Nederrijkswald in 1329; in 1349 volgt de laatst bekende rijksbevestiging aan een heer van Groesbeek.
  • Archeologisch gedocumenteerd: opeenvolgende middeleeuwse bouwfasen van de residentie aan de Hoflaan.
  • Gereconstrueerd: de exacte verdeling van de oudste vermeldingen over Johan I, II en III.
  • Sterk onderbouwd: Seger van Groesbeeck × Aleid van der Straten en de aansluiting op Van der Straten.
  • Rechtstreeks gedocumenteerd: Seger als bastaardzoon van heer Johan van Groesbeeck in 1436.
  • Rechtstreeks gedocumenteerd: Ydtgen/Ideke als Segers eerste vrouw in de goederenoverlevering en Stynken als latere echtgenote.
  • Rechtstreeks gedocumenteerd: Johan en Itgen/Ydtken als kinderen van de bastaard-Seger in de overlevering van Kleynvordt.
  • Rechtstreeks gedocumenteerd: Itgen van Groesbeeck als vrouw van Bruen van den Loe.
  • Rechtstreeks gedocumenteerd: een latere Johan als heer van Heumen, Malden en Beek, burggraaf van Nijmegen en richter in het Rijk in 1445.
  • Rechtstreeks gedocumenteerd: Seger × Elisabeth van Vlodrop als zoon van Johan en Hadewich van Redinchaven in de huwelijksvoorwaarden van 1464.
  • Daarmee weerlegd: de identificatie van deze Seger × Elisabeth van Vlodrop als vaderpaar van Itgen.
  • Goed gedocumenteerd: de opeenvolging rond Kalbeck loopt door meerdere verwante families – Van der Straten, Van Vlodrop, Van Groesbeeck en Van Broeckhuysen.
  • Nader onderzoek nodig: de precieze huwelijksvolgorde van de oudere Johan met Margriet van Reepdorp, Ponte van Gelre en Ermgard van Lynden.
  • Nader te verifiëren aan de primaire akte: de verlening van het hoge gericht van Groesbeek in 1527.

Bronnen en literatuur

Primaire en vroeg-historische bronnen

  • Oorkonde van koning Hendrik III, 27 mei 1040. Schenking van een hoeve in villa nomine Gronspech aan Sindicho nostro forestario. Dit is de kernbron voor de oudste vermelding van Groesbeek en Sindicho.
  • Willem van Berchen, De nobili principatu Gelrie et eius origine. Uitgegeven door L.A.J.W. Sloet van de Beele, 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1870. Van belang voor de overlevering over de oudere burcht van de waldgraven bij Watermeerwijk.
  • Kaart van Watermeerwijk, 1561, Gelders archiefmateriaal, Rekenkamer, met de aanduiding van ‘den pol’ in ‘den wyer genoemt den watermerwyck’.
  • Thomas Witteroos, kaart van het Nederrijkswoud, 1570. Van belang voor de topografie van Groesbeek, het kasteel en het omringende woudgebied.

Historische en genealogische literatuur

  • W.A. van Spaen, Oordeelkundige inleiding tot de historie van Gelderland, deel IV, 1805, in het bijzonder p. 63 e.v. Oudere geschiedschrijving over het Rijkswoud en de heren Van Groesbeek; tevens van belang voor de reconstructie van de eerste drie Johans.
  • A.M. Magnée-Nentjes, Harrie Joosten en Tini Martens, Het verdwenen kasteel Heumen en zijn bewoners 1188–1880, Erfgoedplatform Gemeente Heumen, 2016. Van belang voor Johan van Groesbeek, Beije van Heumen en de overgang van de heerlijkheid Heumen.
  • B. Thissen, ‘Van villa naar dorpsgemeenschap. Middeleeuwse nederzettingsgeschiedenis tot circa 1350’, in: A. Bosch en J. Schiermann (red.), Van Gronspech tot Groesbeek. Fragmenten uit een lokaal verleden 1040–1940, Groesbeek, 1991, p. 37–86.
  • R. Schönberger, ‘De schenkingsoorkonde van 1040’, in: A. Bosch en J. Schiermann (red.), Van Gronspech tot Groesbeek. Fragmenten uit een lokaal verleden 1040–1940, Groesbeek, 1991, p. 20–35.
  • Friedrich Gorissen, publicaties uit 1956 en 1959 over het Rijk van Nijmegen, Groesbeek en Watermeerwijk, zoals aangehaald in latere monumentenliteratuur. Zijn lokalisering en datering van de burcht bij Watermeerwijk zijn van belang, maar worden als interpretatie behandeld.
  • A.G. Schulte, Het Rijk van Nijmegen. Oostelijk gedeelte en de Duffelt, 's-Gravenhage, 1983. In het bijzonder de hoofdstukken over Groesbeek en De Meerwijk. Schulte behandelt de oudere vestigingsplaats bij Watermeerwijk, de verhuizing naar Groesbeek en het voormalige kasteel.
  • Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 9 (1933), p. 304, lemma Johan van Groesbeek. Belangrijk voor de vijftiende-eeuwse familiekring, maar waar mogelijk te controleren aan de genoemde oorkonden.
  • A.M. Magnée-Nentjes, H. Joosten en T. Martens, Het verdwenen kasteel Heumen en zijn bewoners 1188–1880 (2016).

Archief- en regestbronnen voor de latere generaties

  • Huwelijksvoorwaarden Fije van Groesbeeck en Sweder van Rechteren, 17 mei 1387, origineel charter inv.nr. 32.
  • Gelderse en Kleefse leenregisters betreffende Heumen, Malden, Beek, Groesbeek en Kalbeck.
  • Gelderse Rekenkamer, 27 oktober 1513, afschrift inv.nr. 957 fol. 1.
  • RA Gelderland, Cannenburg inv.nr. 742, regest 57: huwelijkse voorwaarden Johan van Groesbeeck en Bertha van Goeyr, 29 augustus 1514.
  • Archief Heerlijkheid Heumen, inv.nr. 2340: bevestiging van de heerlijkheden door Karel V, 10 september 1547.
  • Gemeentearchief Roermond, regestenregister, voor vijftiende- en zestiende-eeuwse Van Groesbeecks.

Aanvullend Nederlands en Duits bronnenonderzoek

  • Regionaal Archief Nijmegen, Digitale Studiezaal, archief 974, Klooster van de heilige Maria Magdalena Nijmegen, inv. nr. 93, akte van 6 juni 1445. Johan van Groesbeek noemt zich daarin heer van Heumen, Malden en Beek, burggraaf van Nijmegen en richter in het Rijk.
  • Gemeentearchief Roermond, regestenregister II, regest 1093, 5 oktober 1464; origineel/verwijzing: R.A. Gelderland, Cannenburg inv. nr. 294, regest 31. Huwelijksvoorwaarden van Seger van Groesbeke en Elisabeth van Vlodrop, met expliciete vermelding van Segers ouders Johan en Hadewich.
  • Gelderse leenregisters / Uitheemse lenen, vermeldingen 1465, 1473, 1483 en 1497 betreffende Seger van Groesbeeck, het voorbehouden vruchtgebruik van Hadewich van Redinchaven en de lijftocht van Lijsbet van Vlodrop.
  • Hartmut Benz, ‘Zur Geschichte von Haus Kalbeck’, Schloss Kalbeck (2019). Duits overzicht van de leenhouders van Alt-Kalbeck, waaronder Van der Straten, Van Vlodrop, Van Groesbeek en Van Broeckhuisen.
  • Stichting Probos, Bosgeschiedenis Euregio Rijn-Waal / Waldgeschichte Euregio Rhein-Waal (2012), voor de ontwikkeling van forestarii en waldgraafschap, de eerste vermelding van de term waldgraaf in 1329 en de laatste bekende bevestiging in 1349.
  • Heemkundekring Groesbeek / Mijn Gelderland, ‘Heerlijkheid Groesbeek in de verkoop’, voor de toekenning van het hoge gericht in 1527; de oorspronkelijke verleningsakte blijft een doel voor vervolgonderzoek.

Nieuwe archief- en literatuurbronnen uit het Itgen-onderzoek

  • Richard van de Loo, ‘Het verborgen verleden van Itgen van Groesbeeck’, Loo-Kroniek nr. 63 (2017). Dit artikel brengt de archiefsporen rond Itgen, haar vader Seger en de families Van Groesbeeck, Van der Straten en Van Kleef samen.
  • Landesarchiv Nordrhein-Westfalen, Duisburg, Stift Xanten, Akten nr. 32a, fol. CLXXV / nieuwe nummering 184. Handschrift met de erfopvolging van Overelve.
  • Landesarchiv Nordrhein-Westfalen, Duisburg, Altes Register der Leibgewinnsgüter Kleve-Mark XIa-144a. Van belang voor Kleynvordt en de filiatie Seger–Johan–Itgen.
  • Dieter Kastner, Die Urkunden des Gräflich von Loëschen Archivs von Schloss Wissen. Regesten, Band I, 1245–1455 (2004), o.a. oorkonde nr. 474 van 10 oktober 1436, nr. 608 van 27 mei 1447, nr. 622 van 1 februari 1448 en nr. 654 van 20 januari 1451.
  • Dieter Kastner, Die Urkunden des Gräflich von Loëschen Archivs von Schloss Wissen. Regesten, Band II, 1456–1534 (2005), oorkonde nr. 779 van 8 juli 1459.
  • R. Scholten, Das Cistercienserinnenkloster Grafenthal oder Vallis Comitis zu Asperden im Kreise Kleve (1899; heruitgave 1984), en R. van den Brand & A. Reimann, Die Urkunden des Klosters Grafenthal Vallis Comitis (2013). Van belang voor Reepdorp en de familiekring van Johan van Groesbeeck.
  • J.J.S. Sloet & J.H.S. van Veen, Register op de leenaktenboeken van het vorstendom Gelre en het graafschap Zutphen (1912), p. 102, voor Kalbeck.
  • Collectie Van Spaen, genealogisch handschrift ‘Groesbeeck’, nr. 182, deel I, 217–222, Hoge Raad van Adel.
  • Wapenboek Gelre, ca. 1400, fol. 89r, voor het wapen Van Groesbeeck.
  • Archief Huis Almelo, charter inv. nr. 32, 17 mei 1387: huwelijkse voorwaarden van Fije/Sophie van Groesbeeck en Sweder van Rechteren.
  • W.R. Schleidgen, Kleve-Mark Urkunden 1223–1368 (1983), o.a. oorkonde nr. 196 van 13 juli 1330, voor Diederick van der Straten en Margaretha van Kleef.
  • Stefan Frankewitz, Die geldrischen Ämter Geldern, Goch und Straelen im späten Mittelalter (1986), en Der Niederrhein und seine Burgen, Schlösser, Herrenhäuser an der Niers (2011), voor Van der Straten, Wissen en Kalbeck.
  • Stadtarchiv Goch, Vogtgedingsprotokollen 1469–1524: Itgen als weduwe in 1514; en Kopiar Alt-Frauen und Männerhaus, Handschrift nr. 6: vermelding van haar overlijden op 7 december 1519.

Archeologisch onderzoek

  • BAAC, archeologisch onderzoek Groesbeek, Hoflaan 8, 2005. Onderzoek naar de opeenvolgende middeleeuwse bouwfasen op het kasteelterrein, waaronder de houten woontorens.
  • Nederlandse Kastelenstichting, Middeleeuwse kastelen in veelvoud. Nieuwe studies over oud erfgoed, Wijk bij Duurstede, 2009, met behandeling van de archeologisch aangetroffen houten woontorens te Groesbeek.
  • Kastelenlexicon / CCHIN, lemma over Groesbeek I, II en III. Digitale ontsluiting van gegevens over de opeenvolgende bouwfasen van de Groesbeekse residentie.

Digitale naslagwerken

  • Canon van Nederland / Canon van Groesbeek, vensters ‘Gronspech’, ‘De eerste kerk van Groesbeek’, ‘Het Ketelwoud’ en ‘Het kasteel van de Heren van Groesbeek’. Gebruikt als toegankelijke samenvatting en voor verwijzingen naar de onderliggende lokale literatuur.
  • DBNL, digitale editie van A.G. Schulte, Het Rijk van Nijmegen. Oostelijk gedeelte en de Duffelt (1983).
  • DANS Data Station Archaeology, onderzoeksregistratie van het archeologische onderzoek aan de Hoflaan te Groesbeek.
Stand van het onderzoek. Voor de periode vóór de dertiende eeuw blijft de grootste onzekerheid de verbinding tussen Sindicho uit 1040 en de latere heren Van Groesbeeck. Vanaf de veertiende en vooral vijftiende eeuw is het bronnenbeeld aanzienlijk sterker. De directe lijn via Johan van Groesbeeck → bastaardzoon Seger → Itgen van Groesbeeck → Bruen van den Loe is nu goed te onderscheiden van de parallelle hoofdtak Johan × Hadewich van Redinchaven → Seger × Elisabeth van Vlodrop. Juist deze scheiding voorkomt dat twee gelijktijdige Segers opnieuw worden samengevoegd.