Aan het begin van de elfde eeuw verschijnt aan de Nederrijn een Vlaamse edelman die in de latere geschiedschrijving Rutger van Antoing wordt genoemd. De Neue Deutsche Biographie beschouwt hem als de stamvader van het Kleefse gravenhuis.
Van Antoing naar Kleef
Volgens de NDB werd Rutger omstreeks 1020 door keizer Hendrik II met rijksgoed bij Kleef beleend. Omstreeks het midden van de elfde eeuw kwam daar, via de aartsbisschop van Keulen, de burcht Tomberg bij.
In de traditie wordt Rutger samen genoemd met Gerard Flamens, die zich bij Wassenberg vestigde. Uit deze verwante machtskringen ontwikkelden zich later respectievelijk het Huis Kleef en de lijn die met Gelre verbonden raakte.
Een genealogisch hiaat
De eerstvolgende graaf die de NDB duidelijk in de bronnen kan volgen is Diederik II van Kleef, vermeld vanaf 1092. Tussen Rutger en Diederik liggen één of meer onvoldoende gedocumenteerde generaties.
Daarom hoort in de stamboom tussen Rutger en Diederik II geen gewone vader-zoonlijn, maar een stippellijn met een expliciet genealogisch hiaat.